http://www.antrop-ver.nl/motief/nummers/motief36-1.htm
De achterkant van het leven
Interview met Marten Toonder
Marten Toonder is in brede kring bekend als schepper van de Tom Poes- en Bommelverhalen. Minder bekend is dat hij al vanaf zijn jeugd interesse had in theologie, theosofie en esoteriek. Vooral over dat laatste gaat het gesprek dat Maud Kips eind oktober in zijn huis in Ierland had met de nu 88-jarige Toonder. Over zijn catechisatielessen en het christendom, over aardgeesten, over inspirerende ontmoetingen, geïnspireerd schrijven en tekenen, en over reïncarnatie. Twee jaar geleden is het vierde en (voorlopig) laatste deel van zijn autobiografie verschenen.
Maud Kips
Marten Toonder werd in 1912 in Rotterdam geboren en is op veel verschillende plekken in en in de wijde omgeving van die stad opgegroeid. Toen hij vijf jaar was, bracht zijn vader, die kapitein was in de koopvaardij, stripverhalen uit Amerika mee. Het stripverhaal was in die tijd een nieuw fenomeen. Marten was gegrepen door het kunnen 'lezen' van die beeldverhalen en wist vanaf de eerste kennismaking daarmee dat hij verhalen wilde tekenen. 's Avonds vertelden hij en zijn jongere broer elkaar verhalen; verhalen waarvan hij ruim tachtig jaar later nog weet te vertellen dat hij er naar het oordeel van zijn publiek teveel in uitweidde over wat hij zag, hoe de mensen er uitzagen, wat ze aan hadden, en veel te lang wachtte voor hij iets liet gebeuren. Voor hemzelf waren vooral de beelden van belang. Pas veel later, nadat zijn vrouw en zijn broer hem verzekerd hadden dat hij dat best zou kunnen, maakte hij zich ook het schrijven van verhalen meester.
Van jongs af aan zocht hij ook naar het onzichtbare, naar de 'achterkant' van het materiële leven. Omstreeks zijn vijftiende jaar begon hij over reïncarnatie na te denken en dat houdt hem tot op de dag van vandaag, en nu intensiever dan ooit, bezig.
Toonder werd op ongeveer zevenjarige leeftijd door zijn moeder naar zondagsschool gestuurd. Daar hoorde hij verhalen over Jezus, ook over de kruisiging. Vooral dat laatste verhaal boezemde hem onmiddellijk afkeer in. Na drie bezoeken besloot hij niet meer naar zondagsschool te gaan. 'Ze hadden er prachtige afbeeldingen van Jezus, in schitterende kleuren. Maar ik had meteen een vreemd soort afkeer tegen het hele verhaal. Dat was niet een gebrek aan gelovigheid want ik wist bijvoorbeeld zeker dat Sinterklaas bestond, dat wel, dat is heel gek. En hoe ouder ik werd en hoe meer ik te weten kwam van de achtergronden, hoe sterker dat werd. Het bijbelse verhaal, Maria als maagd en de kruisiging, al die dingen stootten mij ontzettend af.
Maar de figuur Christus interesseerde me door de dingen die hij zegt, bijvoorbeeld door de verhalen die hij vertelt. Op het oog zijn het allemaal kinderlijke verhaaltjes, maar als je er wat verder over na zit te denken, dan opent zich iets... dan zie je dat er iets achter moet zitten, achter die verhalen. Zoals het verhaal over de twee knechten die ieder een aantal talenten onder hun hoede krijgen. Als ze die een tijd later weer moeten overleggen, heeft de ene knecht met de talenten gewoekerd en heeft de andere ze in de grond verstopt. De eerste knecht beschikt nu over veel meer talenten, de tweede komt terug met niet meer dan wat hij onder zijn hoede gekregen had. Christus zegt dan dat de laatste knecht, die zijn talenten in de grond verborgen had gehouden, in de "uiterste duisternis" geraakt. Volgens de gangbare uitleg van dit verhaal zou die "uiterste duisternis" de hel zijn: je moet met je talenten woekeren, anders kom je in de hel. Dat begrijp ik niet. Maar zo is het ook helemaal niet bedoeld, Christus bedoelt niets te veroordelen. Het is gewoon een constatering: als je je talenten in de grond stopt, dan leef je niet, dan sta je niet in het licht, en dat is wat hij bedoelt met uiterste duisternis. Als je ervan uitgaat dat het leven een doel heeft, dan is het gewoon dom om je "talenten" in het duister te verbergen. Christus bleek helemaal niet zo te zijn als hij werd voorgesteld. Maar indertijd heb ik me dat minder aangetrokken dan dat Sinterklaas niet bleek te bestaan.
Later, toen ik een jaar of vijftien was, had ik een grote meevaller doordat ik een dominee ontmoette die verder keek dan zijn neus lang was. Hij liet me het begin van de bijbel lezen: "De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op den vloed, en de Geest Gods zweefde over de wateren." En meteen daarna het einde: "En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbij gegaan, en de zee was niet meer." Die nieuwe aarde, dat is mooi. Maar het vergaan van de zee - dat vond ik een verschrikking. De zee, ja, dat is eigenlijk het element waar alles om draait. In het begin van de bijbel staat het ook zo, uit de zee is al het leven voortgekomen. Dat is het vrouwelijke element. "Zie je wel," dacht ik, "het is gewoon een slecht boek." En onbegrijpelijk, ook. Op Patmos laat Johannes een monster verschijnen, een draak die uit de hel komt. Dat monster heeft zeven koppen en die zeven koppen zijn versierd met zeven hoeden. Ja, dat is wel komisch... Dan kun je natuurlijk wel gaan zoeken wat daar nu achter zit, maar ik begrijp het gewoon niet. Misschien is het alleen voor mij onbegrijpelijk, en dan mag ik niet zeggen dat het onzin is, maar ik begrijp het echt niet.
Het is heel aardig dat ik toen meteen daarop van diezelfde dominee hoorde dat de eerste vijfhonderd jaar van het christendom op reïncarnatie berustten. Dat was naar aanleiding van een preek waarin Christus spreekt over "wie niet voor de tweede keer geboren wordt". Die dominee vertelde dat dat "herboren worden" meestal uitgelegd wordt als christen worden, als Christus gezien hebben. Dan word je herboren uit je heidendom of uit je domheid en dan ben je een nieuw mens. Maar Christus bedoelde het letterlijk, dat herboren worden. In het evangelie van Thomas en in de Dode-Zeerollen komt Christus op een heel andere manier naar voren dan gewoonlijk, en daarin komt ook dat herboren worden veel vaker voor. Want Jezus is veel bescheidener dan dat hij in de regel wordt voorgesteld. Wat betekent het als hij zichzelf zoon van God en zoon des mensen noemt? Dat zijn twee dingen, twee grootheden door elkaar heen alsof het niks is. Maar als je daarbij bedenkt dat God in jou zelf zit... dan is het heel normaal, geen opschepperij. Want hij zegt ook: wij allen zijn zonen van God.'
Zijn schooltijd bracht Toonder, door alle verhuizingen, op zeven verschillende scholen door, waar hij tot zijn droefenis nergens behoorlijk tekenonderwijs kreeg. Tijdens het eindexamen van de HBS moest hij voor het vak scheikunde de vraag beantwoorden wat bij zout het verschil is tussen natriumchloraat en natriumchloride. Na lang nadenken schreef hij een meeslepend essay over nomaden in de moordende hitte van de woestijn, over zout als betaalmiddel bij de Romeinen en over indrukwekkende zoutmijnen in Duitsland... en slaagde voor het examen.
Vervolgens maakte hij, als zoon van de kapitein, een zeereis naar Uruguay en Argentinië. In Buenos Aires ontmoette hij, in een pand dat hij voor een winkeltje aanzag, maar in werkelijkheid een ontmoetingsruimte was van politieke rebellen, Jim Davis. Davis was medewerker geweest van de tekenaar van Felix the Cat, Pat Sullivan. Van hem leerde hij over het bestaan van de anatomie van stripfiguren en het toen nieuwe medium tekenfilm. Op de terugreis besloot Toonder dat hij striptekenaar wilde worden. Zijn vader gaf hem een jaar de tijd om zich in dat vak te bewijzen en na een korte tijd aan de kunstacademie waar hem verteld werd dat hij niet voldoende natuurgetrouw kopieerde, en na vruchtbaarder privélessen van de kunstschilder Piet van Rhijn, publiceerde hij zijn eerste strips: Tobias en Bram Ibrahim. Vervolgens kreeg hij werk als illustrator en striptekenaar bij een tijdschriftenuitgever in Leiden.
Al eerder, op de HBS, had Toonder Phiny Dick leren kennen, met wie hij later zou trouwen. Hij herinnert zich de wandelingen die Phiny en hij maakten en die voor zijn werk erg inspirerend bleken: 'Vooral in die tijd was het Baarnse Bos echt nog een mooi ouderwets bos, met een meertje in het midden, omgevallen bomen, met alles wat je maar wou eigenlijk. Dat was natuurlijk erg romantisch. Dicht bij romantiek liggen ook sprookjes, en zelfs het geloof, maar allemaal geloof in natuur-dingen. Dat werd toen in mij wakker. Dat wordt lang niet bij iedereen wakker, want als je altijd in de stad leeft, ken je dat gevoel niet. Alles heeft een leven, maar dat leven is geheimzinnig omdat je niet weet wat het is. Maar in zo'n bos voel je het... en als je nog heel jong en verliefd bent, maakt dat een geweldige indruk, ten minste op ons tweeën, hoor. Phiny had daar veel gevoel voor, ze had in haar jeugd van die sentimentele boekjes gelezen over elfjes en zo, en zij begon daarover. Ze vroeg: "Er is toch veel meer te vertellen, er leeft hier toch van alles. Hoe geef je daar gedaante aan, hoe beschrijf je dat?" Wat wij in dat bos beleefden, dat was wonderlijk, dat vind ik nog altijd wonderlijk.
Het is een zegen geweest dat we elkaar hebben ontmoet. Daardoor kwam mijn primitieve verhaaltjesvertellerij op een ander plan. Op het moment dat je er met iemand over kan praten, dat je iets kunt verwoorden, gebeurt er iets vreemds. Het lijkt op wat ze tegenwoordig mediteren noemen: je krijgt allemaal van die hoge ideeën. Het is prachtig als het je lukt om dat gevoel te laten inwerken. Dat is het verhoren van het gebed, denk ik. Phiny was daar erg gevoelig voor.'
Toen de Duitsers Nederland binnenvielen, zijn Marten en Phiny getrouwd en is hun oudste zoon geboren. Toonder belandde, op zoek naar betere afzetgebieden, in Amsterdam waar hij met vrienden een productiemaatschappij oprichtte en zijn werk aan de man probeerde te brengen. In 1941 koos hoofdredacteur Fraenkel van De Telegraaf uit zijn werk Tom Poes als een geschikte figuur voor een strip. Het eerste verhaal dat hij naar de krant bracht, was gebaseerd op een opmerking van zijn vader over de situatie in Duitsland: "Als je daar laarzen in de grond plant, groeien er soldaten uit." Van de soldaten had hij kwade reuzen gemaakt en uit klompen liet hij goede reuzen groeien, maar verdere verwijzingen naar de bezetting had hij zorgvuldig omzeild. Desondanks vond Fraenkel het nog te gevaarlijk en raadde hij hem aan alle toespelingen op de actuele toestand achterwege te laten.
Helemaal afgezien van de context van de Duitse bezetting merkt Toonder achteraf op, dat zijn beste verhalen die verhalen zijn die over grotere dingen gaan dan een actuele aanleiding. Eén zo'n verhaal is De gezichtenhandel1) over de plamoen, een wezen dat het gezicht weerspiegelt van ieder die hem aankijkt. Dat is een schokkende ervaring voor de kijker, die in de plamoen zijn ware gezicht ziet. Over verhalen met actueler thema's is hij minder tevreden.
'Er zijn verhalen bij waar ik me voor schaam - zonder dat ooit iemand gezegd heeft dat het een slecht verhaal was. Dat waren dan de verhalen die ik bedacht had, en daar zitten natuurlijk wel de elementen in die een verhaal hoort te hebben: het heeft een begin, een middenstuk, en dan een eind dat bevredigend is, maar ze zijn niet met medewerking van mezelf, van mijn eigen ego tot stand gekomen. Dan had ik een papier en dan dacht ik: "Wat ga ik doen?" Dat waren moeilijke momenten, zo eenzaam in mezelf. Dan moet er iets gebeuren... dat is moeilijk, er moet iets gebeuren, dat is het leven, en dan ga je in de uiterste duisternis.
Maar er waren ook goeie verhalen tussen. Soms, als ik het helemaal niet wist, begon ik maar op goed geluk met iets. Ik had dan wel een begin in mijn hoofd maar geen einde. Dan begon ik te schrijven en naar aanleiding daarvan werd ik zelf wakker, blijkbaar. En dan begon het interessanter te worden. Daarom heb ik het ook altijd erg interessant werk gevonden, dat wist ik van tevoren helemaal niet.
Het is aardig om te weten dat je een talent hebt gekregen om te weten wat wel en wat niet goed is. Ja, dat heb je al heel vroeg, het is een soort kritiek maar wel een kritiek met een norm. Die norm is meer vertellen dan je vertelt. Want er zit natuurlijk iets achter, zoals er achter het hele leven iets moet zitten. Dat zijn dingen die je niet kunt leren. Dat instinct, daar denk ik vaak over door. U noemt die plamoen en dat is een heel duidelijk voorbeeld. Ik dacht toen ik hem opzette: "Wat voor gezicht heeft zo iemand?" Ik begon er aan - en verder heeft het zichzelf geschreven. Dan moet je je ook niet verdiepen in wat je aan het doen bent. Je zit daar, alleen, en je moet in jezelf blijven zitten. Wel door middel van de hersens, hoor, want ik zat gewoon te schrijven. Maar ik begon het steeds prettiger te vinden, niet bewust, maar ik begon te denken dat er misschien wel iets in zou zitten, al wist ik nog niet wat. En langzamerhand ontstond er iets. Dat is natuurlijk het mooiste, het wordt je gewoon gegeven. Op het moment dat die hersens zelf iets gaan verzinnen, komt er iets tussen.'
In zijn autobiografie beschrijft Toonder de schok die hij kreeg, vlak nadat hij het verhaal van de plamoen had afgerond, toen het orakel van Delphi ter sprake kwam: het 'Ken u zelf' en hij opeens begreep dat dat het onderwerp was van De gezichtenhandel. 'Dat is helemaal niet zo leuk, jezelf kennen. Daar kan je behoorlijk van schrikken.'
In de Toonderstudio's in Amsterdam werd vanaf halverwege de oorlog een illegale drukkerij ondergebracht. Onder dekking van de legale tekenfilmwerkzaamheden en in het diepste geheim werden daar onder andere persoonsbewijzen vervalst en gedrukt. Omdat hij haar beschermen wilde tegen de last die het kennen van zulke geheimen met zich meebracht, vertelde Toonder zelfs Phiny niets. Maar na de oorlog raakte Phiny in een depressie.
'Je ziet niet altijd meteen wat je aanricht. Er zijn dingen waarvan ik nu pas zie dat ik ze helemaal fout gedaan heb. Phiny's gedeprimeerdheid was voor een groot deel mijn schuld. In de oorlog heb ik haar overal buiten gelaten. Dat deed ik met goede bedoelingen, hoor, vreselijk goede bedoelingen. Ik wist dat ze er niet tegen zou kunnen als ze van alles op de hoogte was, want er waren moeilijke ogenblikken. De SD viel binnen bij de drukkerij die de voorloper was van de drukkerij bij ons. Er waren vier of vijf mensen bezig - dood. Tweeënhalf jaar ongeveer werd die drukkerij toen bij ons ondergebracht. Dat was tamelijk gevaarlijk en de geheimhouding daarvan was een halszaak. Alles wat er mis ging, was door doorslaan, niet door verraad, dat hoefde niet eens, maar gewoon om ook eens iets interessants te kunnen zeggen.
Thuis kwamen er toen veel mensen over de vloer die met dat werk te maken hadden. Phiny voelde dondersgoed dat zij daar niets van mocht weten. En als dat jarenlang duurt, dag in, dag uit, dan ontstaat er een verwijdering. En het wáren rotte jaren. Er waren heel vervelende dingen bij, verraad en zo, ook dat hebben wij meegemaakt. In die tijd na de oorlog begon Phiny dat te verwerken en toen raakte ze in de "uiterste duisternis", ze zag alles zwart, er was in de mensheid alleen maar slechts en er was geen hoop. Ze was van God los.'
Meer dan eens tijdens ons gesprek laat Toonder blijken het moeilijk te vinden om over zijn verzetswerk te spreken, omdat dat zo licht als 'zelfverheffing' opgevat zou kunnen worden. Zowel in zijn autobiografie, waarin hij zijn oorlogservaringen als een vanzelfsprekende serie gebeurtenissen beschrijft, als tijdens ons gesprek krijg ik de indruk dat hij de soms moeilijke beslissingen in vol bewustzijn van de te voorziene consequenties nam. Helemaal niet zulke vanzelfsprekende beslissingen dus.
'In dezelfde tijd dat Phiny en ik elkaar ontmoetten, ver voor de oorlog, had ik de theosofie leren kennen. Daar was ik toen erg van onder de indruk en ik wilde mijn geloof natuurlijk uitdragen. Maar je kunt niemand bekeren, dat moeten mensen zelf doen. Ik wist dat toen nog niet en ik begon er met Phiny over. Maar tot mijn grote verbazing viel ze helemaal stil, ze verstijfde en begon ten slotte te huilen. Daar ben ik erg van geschrokken en ik heb angstvallig vermeden daar verder ooit nog iets over te zeggen. Ik weet nog niet helemaal waarom ze dat deed, maar het maakte geweldige indruk op me.
Maar na de oorlog, toen ze zo gedeprimeerd was, las ze White Magic van Alice Bailey en raakte er weer helemaal bovenop. Dat was even vreemd als dat huilen wat ze had gedaan. Merkwaardig, dat waren toch eigenlijk dingen van haar die ik niet helemaal kon volgen, maar ik was er wel erg blij mee. Alice Bailey is geen goede schrijfster, maar wat ze schreef was wel heel oud. Het is een interessant onderwerp, white magic en black magic, het sluit aan bij die aardgeesten en andere wezentjes waar we het daarnet over hadden. Het gaat ook over witches, heksen, die aan de ene kant met de duivel zijn getrouwd en die we aan de andere kant tegenwoordig wijze vrouwen noemen. Maar dat zijn ontzaglijk materiële dingen eigenlijk, een vertaling van wat eigenlijk niet verwoord kan worden.
Ik heb echt rotte jaren gehad in de oorlog, en het bleef rot tot Phiny weer over haar depressie heen was. Toch heb ik het gevoel dat het nuttige jaren waren, dat is raar. Maar het is zo. Hoe weet je nu na al die tijd wat goed was en wat slecht? Die oorlog was slecht, natuurlijk, maar op een andere manier dan je zou zeggen. Er waren goede dingen bij en die zag je alleen doordat ze zo afstaken. Je moet het slechte kennen, anders kun je het goede niet kennen. Als je God wilt kennen moet je zowel zijn goede als zijn kwade kant kennen. Wat noemen wij kwaad, wat noemen wij goed?'
In 1965 verhuisde Toonder naar Ierland, naar een groot huis aan de oostkust waar hij nu nog steeds woont. Phiny overleed er, na een kwart eeuw. Later trouwde Toonder voor een tweede keer, met Tera de Marez Oyens. Ook zijn tweede vrouw overleeft hij.
'Phiny herkende in Ierland meteen wat ze ook al in het Baarnse bos beleefd had, maar hier was en is het nog veel sterker. Als je in een bepaalde stemming bent, vooral een beetje een droefgeestige, en je gaat lopen, je ruikt de bomen, kun je er niet omheen. Nu in dit jaargetijde is het helemaal sterk, met al die kleuren. Phiny had daar een speciaal gevoel voor en dat heeft ze haar hele leven gehouden. Maar het Baarnse bos was wel het begin. Je had daar van die oude bomen, zeker honderden jaren oud, die zo vreemd en kronkelig waren, met gaten, waar je met open ogen en open mond naar stond te kijken. Je vermoedt dat daar iets in zit, dat daar iets in leeft. En dat geheimzinnige heb je hier in Ierland aan de lopende band, hier heet dat een volkje de Shee.'
'Ja...' Hij kijkt ineens wat somber, recht voor zich uit, en dan: 'Ik geloof echt in reïncarnatie. En als reïncarnatie bestaat, dan moet er een evolutie, een verbetering plaatsvinden. Als je iets hebt fout gedaan, dan moet dat goed worden gemaakt en als je iets goeds hebt gedaan, moet je worden beloond. Het is me wel duidelijk dat je dat nooit in één leven voor elkaar krijgt, dat ene leven is veel te kort. Er bestaan dingen die je pas heel langzaam ontwikkelt, ontwikkelen kúnt. Dat is karma. Volgens mij is dat niet zozeer geloof, maar gewoon logisch.'
Ik vraag wat hij denkt van karma als legitimatie van het lot van de slachtoffers van de holocaust. 'Dat is een moeilijke vraag, maar er is wel een antwoord op. Bij dit soort dingen kun je niet over groepen praten, over "joden". Je kunt wat karma betreft het alleen per individu nagaan. Uiteindelijk gaat het om het individu. En zelfs dan... Iemand kent alleen zichzelf. En karma zit in kleine dingen verstopt, in goed of kwaad wat ik soms helemaal niet ken. Er zijn dingen die iemand in het geheim heeft gedaan, of dingen waarvan hij zelf niet eens weet dat hij ze heeft aangericht. Het is al heel wat als je ontdekt: hé, daar zit het... Misschien kun je het zelfs verdedigen, en dat kan best redelijk klinken, maar het is niet afgewerkt en de gevolgen kunnen pas heel veel later zichtbaar worden. Daar is één leven te kort voor.
Hoe ik me reïncarnatie voor moet stellen, weet ik niet precies, en hoe je er uitziet als je dood bent, dat weet ik ook niet. Maar die voorstellingen kunnen alleen maar buitenstoffelijk zijn. Zo'n beeld van de hemel ergens daarboven, met harpspelende engeltjes, is natuurlijk onzin. Ik heb als steuntje het "collectieve onbewuste" van Jung, en dat is meer een toestand. Het onbewuste is niet een materieel terrein, zoals de hemel, nee, alles is doordrongen van het collectieve onbewuste. Daarom kun je, als iemand dood is, het gevoel hebben dat die persoon dichtbij je is. Ik kan me dat best voorstellen, niet als een engel of een geest of zo, maar wel als iets - ja, hoe moet je dat noemen? Het klinkt zo gauw new-agerig: als een vibratie, als iets fijntrillerigs. Het leven dat er in je eigen ego zit, is toch iets als een elektrische toestand, het is niet zichtbaar maar wel aanwezig.
De vraag is eigenlijk of het een entiteit is. Of is het een opgaan in de massa? Het "collectief" klinkt ook weer zo als een groep, als een massa. En dat geloof ik niet. Ik geloof dat het heel goed mogelijk is om een eigen individu te zijn, want anders zou je ook geen reïncarnatie hebben en geen karma, want dat is aan één individu gebonden. Ik kan me heel goed voorstellen dat dat een bepaalde trilling is.
Dat hele collectief, dat is de achterkant van de mensheid. En dat collectief zie ik eigenlijk als God zelf. Het is uiteraard oneindig, zoals het heelal dat is. En er zijn bepaalde, heel bepaalde plekken, heel bepaalde trillingen die bij elkaar willen, die elkaar aantrekken, gebieden die dan wat verdicht zijn, niet in elkaar opgaan maar elkaar aantrekken. Ik denk dat zoiets mogelijk is.'
We komen terug op Toonders levenslijn. Al vertellend merkt hij meermalen op dat hij veel 'meevallers' heeft gehad. Hij noemt de dominee die hij op zijn vijftiende ontmoette, de ontmoeting met Phiny Dick, mensen met wie hij heeft samengewerkt en mensen die op momenten dat het financieel echt mis ging, met een opdracht of een investering kwamen: 'Ja, dat soort meevallers die je had als je in de piepzak zat. Zo uitdrukkelijk op een bepaald moment, vreemd. Synchroniciteit, noemt Jung dat.
Ook aan de achterkant van het leven waren er meevallers, al laten die zich moeilijk onder woorden brengen. Maar dat is eigenlijk waarom ik dit allemaal zit te vertellen. Ik probeer die achterkant goed te zien. En dan is er veel meer dan ik dacht. Ik ben geen eenentwintig meer en alleen daarom kan ik het zien. Anders ga je niet zo gauw in jezelf zitten. Nu wordt je leven wat dat betreft iets rustiger om je heen. Je zoekt verbanden... Dat is eigenlijk het enige waarmee ik bewust bezig ben.
Er zijn dingen die ik niet kan beschrijven. Nee, soms is het moeilijk. Het is ook zo dat de dood van Phiny voor mij toch zo veel betekende... en daarna mijn tweede huwelijk, dat heb ik altijd gezien als een vervolg. Die twee leken zo vreselijk veel op elkaar, niet alleen uiterlijk maar ook innerlijk, dat was zo frappant... En ook het gevoel van geluk dat daarbij hoorde. Maar of dat rechtvaardig is...? Om me heen zie ik niks dan het tegendeel, mensen die dat niet gebeurt. Ik ben verwend. Dat is geen gesneden koek, dat dat gebeurde, dat was heel bijzonder. Nu zie ik dat allemaal, op het moment zelf zag ik het niet. Ik vind het leven heel belangrijk, ook omdat ik het idee heb dat er een bedoeling in zit, het is niet zomaar in het wilde weg dat ik aan het leven ben. Maar het is helemaal niet leuk om zo lang door te leven hoor, daar is niks an.'
Marten Toonder, Autobiografie - Vroeger was de aarde plat; Het geluid van bloemen; Onder het kollende meer Doo; Tera, De Bezige Bij, Amsterdam, 1998.
1. Verschenen in: Wat enigjes, Bommelpaperback 16, De Bezige Bij, Amsterdam, 1975.